6 - 12 jaar

Kinderen

Onderzoek en/of therapie bij kinderen gebeurt in overleg met de ouders.

Bij het onderzoek betrekken we graag de school en andere betrokkenen. Indien het kind al een therapie volgt in een andere dienst, is er overleg met deze therapeut.

Therapie is mogelijk met het kind, met kind en ouders samen of via ouderbegeleiding.

CONCENTRATIE EN/OF GEDRAGSPROBLEMEN

Het kind in de lagere school dient veel te verwerken. De grote aanpassing om zelfstandig te presteren kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat men opnieuw begint te bedplassen. De concentratie die voor het eerst gevraagd wordt tijdens de les en het blijven stil zitten is voor sommige kinderen zeer moeilijk. De kinderen met hyperactief gedrag en concentratieproblemen wordt voor het eerst gedetecteerd. Op sociaal vlak worden veel meer interacties verwacht. De eerste boezemvriendschappen ontstaan maar ook de eerste grote ruzies zowel met vrienden als met ouders. Sommige kinderen beginnen te liegen, te stelen of zich zeer agressief op te stellen.

BEDPLASSEN

Veel kinderen hebben problemen met bedplassen. Sommige worden zindelijk op drie jaar en hervallen naar aanleiding van één of andere traumatische gebeurtenis. Voor sommige kinderen lukt het niet om op de normale leeftijd zindelijk te worden en zij blijven soms bedplassen tot 9-10jaar.

Veelal is het bedplassen een gedrag ten gevolge van een emotioneel probleem zoals bvb scheidingsangst.

HYPERACTIEF GEDRAG EN CONCENTRATIEPROBLEMEN

Het letterwoord ADHD staat voor Attention-Deficit-Hyperactivity-Disorder. ADHD is dus een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit.

ADHD is een biologische stoornis die wordt gekenmerkt door een concentratietekort (aandachtsstoornissen), impulsiviteit (ze handelen zonder eerst te overwegen wat de consequenties zijn) en/of hyperactiviteit (overactief).
Kinderen en jongeren met ADHD vertonen deze symptomen in wisselende vormen, verhoudingen en ernst. ADHD is een stoornis die vaak reeds tijdens de lagere schoolleeftijd wordt gediagnosticeerd.  

In de TOL kan je naast het onderzoek ook terecht voor de begeleiding van uw kind of jongere met ADHD. 

AGRESSIE/LIEGEN/STELEN

Voor veel kinderen en jongeren is het moeilijk om hun eigen mening te verkondigen aan ouders. Ze wil protesteren tegen de regels die hen worden opgelegd. Op een aangepaste, directe en beleefde wijze protesteren tegen de regels is voor velen een moeilijke opdracht. Op verbale of non-verbale manier agressief reageren, stelen of liegen zijn frequent indirecte boodschappen van protest aan het ouderlijk gezag. In de TOL gaan we samen met het kind of de jongere na hoe we het protest op een aanvaardbare wijze kunnen uiten en welke oplossing voor dit ongenoegen we kunnen vinden.

DYSCALCULIE BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

Bij rekenstoornissen is er sprake van een achterstand voor specifieke rekenvaardigheden, ondanks een normale intelligentie bij het kind. Er is een ernstig en hardnekkig probleem met het aanleren en vlot ophalen en toepassen van rekenkennis. Er is een automatiseringstekort.

OORZAKEN

Ondanks gericht oefenen gaat het kind moeizaam vooruit. Het automatiseren komt niet tot stand. Er is een bewezen samenhang tussen het hebben van dyscalculie en dyslexie. Ook erfelijkheid speelt een belangrijke rol.

KENMERKEN

  • Dyscalculie is een ernstig probleem. het kind behaalt op tests resultaten bij de laagste 10%
  • Dyscalculie is een hardnekkig probleem. Ondanks oefening maakt het kind weinig vooruitgang
  • Dyscalculie kan op elk moment tot uiting komen. Meestal in de lagere school, soms pas in het secundair of op volwassen leeftijd
  • Moeite hebben met het vergelijken van hoeveelheden en kan hoeveelheden niet in één keer overzien
  • Niet vlot kunnen tellen
  • Moeite hebben met het lezen en opschrijven van cijfers en getallen
  • Cijfers op de verkeerde plaats zetten, getallen omkeren
  • De rekenregels niet vlot beheersen en niet tot automatisatie komen, moeite hebben om strategieën te onthouden en toe te passen
  • Moeite hebben met rekentaal
  • Vingertellen
  • Het hebben van een zwak kortetermijngeheugen
  • De problemen nemen toe onder tijdsdruk
DYSLEXIE BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau. Iemand kan traag lezen, of lezen met veel fouten, of een combinatie van beide is mogelijk. Soms is het lezen redelijk goed, maar zijn er vooral problemen met de spelling. Kinderen met dyslexie laten al vroeg zien dat zij moeite hebben het tempo van het leren lezen en spellen in de klas te volgen. Vaak doen zij extra hun best. In de lagere school kan duidelijk worden dat een kind mogelijk dyslexie heeft. Maar voor die tijd, in de kleuterklas, kunnen er al signalen zijn die hier op wijzen. Soms vallen de lees- en spellings-problemen eerst nog niet op, maar komt dit in het 5de leerjaar pas aan het licht bij problemen met het leren van de vreemde talen.

OORZAAK VAN DYSLEXIE

Mensen met dyslexie hebben over het algemeen een in aanleg zwak taalgevoel. Zij hebben met name moeite met het waarnemen van klanken (foneem-bewustzijn). Ook problemen met het automatiseren van willekeurige associaties (kleuren, dagen van de week) speelt een grote rol. Dit uit zicht bijvoorbeeld in problemen met snel en goed de juiste letter bij een klank vinden of bij het goed toepassen van een spellingsregel als je er niet bewust bij nadenkt. Het is bekend dat dyslexie erfelijk bepaald is. Als een van de ouders dyslexie heeft is de kans op een kind met dyslexie 50%. Om achterstanden op school te voorkomen is het belangrijk dat kinderen met een zwak taalgevoel zo vroeg mogelijk logopedisch worden begeleid.

LOGOPEDIE

De logopedist geeft specifieke training om de belangrijke vaardigheden voor het lezen en spellen te ondersteunen, zoals het combineren van het luisteren naar een klank, de mondbeweging goed voelen en de letter zien die erbij hoort. Dit is het meest effectief als het wordt gekoppeld aan daadwerkelijk lezen en spellen. Om te zorgen voor een doorgaande lijn in de behandeling wordt informatie overgedragen aan ouders en school. De behandeling richt zich op het laten opdoen van succeservaringen door het kind. Op die manier wordt geprobeerd emotionele problemen te voorkomen.

KENMERKEN VAN DYSLEXIE

  • Dyslexie is een ernstig probleem. Behaalt op genormeerde tests resultaten bij de laagste 10%
  • Dyslexie is een hardnekkig probleem. Extra, planmatige en intensieve didactische inspanningen leiden binnen de 6 maanden niet tot verbetering
  • Kernprobleem is de moeizame automatisering op woordniveau. Opvallende problemen op vlak van snelheid en accuratesse
  • Bij dyslexie is het kind vaak later beginnen praten en gaat de spraakontwikkeling langzamer
  • De letters dansen op het blad en de letters worden door elkaar gehaald (bv. dorp en drop)
  • Moeite met het bijhouden van het tempo
  • Er is sprake van een langzame letterherkenning
  • Spiegelschrift en klanken omdraaien (/b/ en /d/, /q/ en /p/)
  • De spellingsregels worden zeer moeizaam verworven en raken niet geautomatiseerd
  • Fonetisch schrijven
  • Er worden spellingsfouten gemaakt bij het overschrijven
  • Er is weinig concentratie tijdens het lezen
  • Het voorlezen gaat traag, hakkelend en/of radend. Nadien weet men soms niet wat er gelezen is
  • De problemen nemen toe onder tijdsdruk
  • Dyslexie kan op elk moment tot uiting komen. Meestal in de lagere school, soms pas in het secundair of op volwassen leeftijd
  • Dyslexie (leesstoornis) komt in 95% van de gevallen samen voor met dysorthografie (spellingstoornis)
  • Dyslexie is erfelijk bepaald. Dyslexie komt méér voor bij jongens dan bij meisjes. Wanneer een ouder dyslectisch is hebben de kinderen een kans van 35%-40% om ook dyslexie te ontwikkelen
EMOTIONELE PROBLEMEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

In deze leeftijdsfase wordt van het kind meer sociale vaardigheid verwacht. Hij dient zeer veel kennis te verzamelen. Hij dient prestaties te leveren en ondervindt bijgevolg veel mislukkingen.  Deze confrontatie bezorgt het kind heel wat spanningen en gevoelens van angst   faalangst, scheidingsangst omdat het bang is de ouders teleur te stellen Voor ouders is het soms niet evident hoe men met deze spanningen kan omgaan. Deze spanningen bezorgen sommige kinderen slaapsstoornissen en/of depressie

Op die leeftijd begint het kind zich meer bewust te worden van de veranderingen die mogelijks in zijn leven heeft plaats gevonden zoals echtscheiding van ouders, geadopteerd zijn enz. Sommige kinderen hebben dan ook last van aanpassingsstoornis.

ANGSTSTOORNIS

Angst komt bij alle kinderen voor en is een normaal gevoel. Angst overvalt je en is belangrijk om het te beleven. Angst geeft ons aan dat er gevaar dreigt. Het zijn als de waarschuwingslampjes op een dashboard van een auto. Wanneer de waarschuwinglampjes blijven branden dan heb je een ernstig probleem. Wanneer een kind zeer veel angst heeft, de angst gedurende lange tijd blijft bestaan, het kind personen of situaties vermijdt, het kind lijdt onder angst dan spreken we over een angststoornis. Diverse symptomen zoals buikpijn, hoofdpijn, bedplassen, slaapstoornisssen scheidingsangst… kunnen tekenen zijn van de angststoornis.   De meest voorkomende angst in de kleuterleeftijd is faalangst

FAALANGST

Veel kinderen hebben problemen met faalangst. Hoe minder ze hun leerstof kennen hoe meer faalangst ze soms ontwikkelen. We onderscheiden twee vormen van faalangst. De negatieve faalangst zorgt ervoor dat de jongeren niet meer durft studeren en dermate door angst overvallen wordt dat hij niet veel kan studeren. Positieve faalangst zorgt ervoor dat de spanning die de faalangst met zich meebrengt de jongere aanzet om nog meer te studeren. De positieve faalangst heeft dus een positieve invloed op het studeren en kunnen we als een gezonde spanning omschrijven, terwijl jongeren met negatieve faalangst best geholpen worden. Jongeren die te veel positieve faalangst hebben kunnen bezwijken onder stress en worden ook best geholpen.

SCHEIDINSGANGST

Met de overgang naar het lager onderwijs verdwijnt de ongedwongen speelse periode van de kleutertijd. Met het leveren van prestaties, lezen, schrijven en rekenen moet het kind voor het eerst zelfstandige schoolprestaties leveren.  Hij moet kunnen voldoen aan de regels die de leerkracht hem oplegt en presteren wanneer het moet en niet wanneer hij het wilt. Vele kinderen vallen dan terug op hun ouders en voelen zich soms te sterk geforceerd tot zelfstandigheid. Velen ervaren dit dan ook als een vorm van in de steek gelaten worden door hun dichte verzorgers. De angst om in de steek gelaten te worden en scheidingsangst komen bij sommige jongeren dan sterk de kop opsteken.

 FOBIE

Sommige kinderen ontwikkelen een bepaalde fobie. Een fobie is een angst voor een bepaalde situatie of voor een bepaald dier of een bepaald voorwerp. Veel fobieën worden van ouder op kind overgedragen. De moeder is zeer bang van een hond en via modelling zorgt ze er onbewust voor dat haar kind ook een hondenfobie ontwikkelt. Afhankelijk van de ernst van de fobie is een behandeling aangewezen. Sommige kinderen of jongeren kunnen niet meer buiten komen en hun doen en laten wordt zeer sterk bepaald door hun angst.

SLAAPSTOORNISSEN

Voor kinderen is de nacht beangstigend. Het is een tijdsmoment waarbij hij alleen is. Voor het slapen gaan neemt hij met het nodige ritueel afscheid van zijn ouders, ook al vertoeven ze in hetzelfde huis. Het kind gaat over van het wakkere leven naar het leven van de droom waar ouders niet aanwezig zijn. Hij gaat de nacht in, een nacht vol mysterie van monsters, heksen en spoken. Voor sommige kinderen is dit alleen zijn en dit mysterie te beangstigend en ontwikkelen ze slaapstoornissen.

DEPRESSIEVE GEVOELENS

Sommige kinderen of jongeren lijden sterk onder een bepaald gebeurtenis en kunnen hierdoor een depressieve stemming ontwikkelen. Ze zijn prikkelbaarder, ze hebben minder interesse of plezier in bijna alle activiteiten. Ze hebben weinig eetlust, hebben last van slapeloosheid of slapen zeer veel. Ze kunnen zich niet meer concentreren en zijn besluiteloos. Soms kan deze gemoedstoestand dermate erg zijn dat ze denken aan zelfmoord.

In de TOL proberen we het kind of jongeren te leren kennen via een persoonlijkheidsonderzoek . We proberen de oorzaak van deze depressieve gemoedstoestand te vinden om dan een gepaste therapie op te starten.

AANPASSINGSTOORNIS

adoptie / pleegzorg / nieuw samen gesteld gezin

Verschillende hulpverleners in de TOL zijn zeer deskundig in de begeleiding van adoptiekinderen en pleegkinderen. Deze kinderen bevinden zich vanuit hun adoptie/pleegstatus in een specifieke situatie. Sommige van hun symptomen dienen dan ook in dit licht gezien worden. Loyaliteitsconflicten, hechtingsproblemen, aanpassingsproblemen,…zijn problemen die bij die kinderen veel voorkomen.

SOCIALE VAARDIGHEIDSPROBLEEM

Kinderen en jongeren staan dagelijks in contact met hun leeftijdsgenoten.  Kinderen die erg introvert zijn of moeite hebben met sociale vaardigheden lopen het risico moeilijk vrienden te maken, en te houden.  Ze komen minder op voor hun mening, zijn vaak te volgzaam omdat ze zelf weinig initiatief durven nemen.  Het gevaar dat ze een negatief zelfbeeld ontwikkelen, weinig zelfvertrouwen hebben en zich terugtrekken is dan ook reëel.

Anderzijds zijn ook kinderen die grenzeloos gedrag stellen, zich niet kunnen inleven en te weinig rekening houden met anderen hebben problemen met hun sociale vaardigheid.

In beide gevallen zijn deze kinderen en jongeren gebaat met een individuele therapie die zich richt op sociale vaardigheden.  Hierbij wordt steeds vertrokken van de concrete situaties die ze dagelijks zelf meemaken.  Vooraleer deze therapie te starten zal het echter cruciaal zijn om eerst na te gaan hoe het komt dat deze kinderen het zo moeilijk hebben met de sociale omgangsregels.

OPVOEDINGSPROBLEMEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

Voor iedere ouder is opvoeden niet evident. Opvoeden heb je niet geleerd maar alleen ondervonden. Je hebt ervaren hoe je ouders je hebben opgevoed en je probeert de positieve elementen ervan toe te passen en de negatieve te veranderen. Je overlegt met je partner die vanuit een ander opvoeding zijn beeld gevormd heeft over opvoeden. Deze twee opvoedingsbeelden treden soms in conflict en maakt het opvoeden op een eenduidige en gestructureerde wijze soms moeilijk.

In de Tol wordt in overleg met beide ouders nagegaan hoe men nu opvoedt en welke moeilijkheden men hierbij ervaart. Belangrijk hierbij is dat men zichzelf in vraag kan stellen. Enig vermogen tot introspectie is dan ook noodzakelijk.

PSYCHOMOTORIEK BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

Psychomotorisch onderzoek

Tijdens het psychomotorisch onderzoek wordt de ontwikkeling van de motoriek onderzocht. Het onderzoek richt zich op de grove motoriek (springen, lopen, evenwicht, kracht,…) en de fijne motoriek (veters knopen, kralen rijgen, kaarten sorteren,…).Als onderdeel van de fijne motoriek, wordt de schrijfmotoriek getest. Er wordt gekeken naar het resultaat, het schrijfproduct en het schrijfproces, (d.i. de schrijfhouding, de pengreep en de beweging van vingers, pols en arm). Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre het kind bewust is van zijn eigen lichaam (houding en beweging). Ook een zwakke visuele waarneming heeft invloed op de ontwikkeling van een kind. Het kan namelijk leermoeilijkheden tot gevolg hebben. Testen op dit gebied geven meer duidelijkheid. Als laatste wordt gekeken of het kind zich adequaat in de ruimte kan oriënteren en of hij in staat is die ruimte los van zichzelf te structureren.  

 

Psychomotorische begeleiding

Grove motoriek

Grove motoriek is een samenspel van bewegingen die uitgevoerd worden door hoofd, romp en ledematen. Bijvoorbeeld: lopen, kruipen, gaan zitten, dansen en fietsen. Voor deze activiteien heb je spierkracht, coördinatie en evenwicht nodig. Wanneer deze vaardigheden te complex zijn of onvoldoende geautomatiseerd, ondervindt het kind moeilijkheden in het dagelijks leven. Tijdens de therapie worden de bewegingen aangeleerd en ingeoefend. Het kind zal na verloop van tijd de bewegingen als geautomatiseerd ervaren en minder problemen ondervinden van zijn ‘onhandigheid’.

 

Fijne motoriek

Fijne motoriek zijn de bewegingen waarbij een klein gedeelte van het lichaam wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: schrijven, knippen, nagels lakken, een sleutel in het slot steken … Hierbij zijn oog-handcoördinatie, precisie en concentratie heel belangrijk. De hersenen moeten een precieze besturing hebben over de vingers om de taak naar tevredenheid uit te voeren. De ogen controleren of het proces juist verloopt. Tijdens de therapie wordt in geval van problemen teruggekeerd naar eenvoudige vaardigheden. Vandaar wordt opgebouwd door aanleren en inoefenen van ingewikkeldere fijn motorische vaardigheden.

 

Grafo – en schrijfmotoriek

De grafomotoriek wordt gezien als de overgang naar schrijfmotoriek. Hierbij maakt men gebruik van oefeningen waarbij de kennis van cijfers en letters niet vereist is. Grove bewegingen worden aangeleerd door middel van krijt, verf of zand. Als die beheerst worden, kan overgestapt worden naar de fijne bewegingen. Dan ziet men dat het kind effectief rijp is om te leren schrijven. Het kind is nu in staat om enkel vinger- en polsbewegingen te maken en de cijfers en letters te vormen.

Schrijfmotorische problemen kunnen zich voordoen in het motorisch geheugen of bij de echte bewegingsuitvoering. Tijdens de therapie worden een goede schrijfhouding en juiste pengreep aangeleerd. Er wordt gewerkt aan een duidelijk handschrift, dit betekent duidelijke lettervorming en letterverbinding, een goede bladspiegel en adequate snelheid.

SPRAAKSTOORNISSEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

ARTICULATIESTOORNISSEN

1. fonetische articulatiestoornis

Het betreft hier stoornissen waarbij spraakklanken niet of verkeerd uitgesproken worden. Het kan dus zowel om een weglating, vervanging of vervorming gaan. De bekendste articulatiestoornissen zijn het lispelen en het niet kunnen uitspreken van de [r]. Soms komt een meervoudige articulatiestoornis voor. Daarbij worden verscheidene klanken weggelaten, vervangen of vervormd. Bij open neusspraak ontsnapt er te veel lucht langs de neus. Bij gesloten neusspraak ontsnapt de lucht bij vorming van de nasale medeklinkers [m],  [n], [ng] door de mond.

2. fonologische articulatiestoornis

Het kind spreekt onverstaanbaar en er is sprake van een inconsistent en onregelmatig foutenpatroon. Het kind kan meestal de klanken afzonderlijk uitspreken, maar maakt fouten bij het gebruik van de klanken in een woord. Zo zet het kind tijdens het spreken de verkeerde klanken in een woord, vervangt de klanken door andere (vb. bad – bak). Fonologische vereenvoudigingsprocessen zijn normaal en horen bij de spraakontwikkeling van een kind. Sommige kinderen blijven vereenvoudigd spreken op een leeftijd waarop leeftijdsgenootjes dit niet meer doen. Vanaf de leeftijd van 4 jaar zou het kind goed verstaanbaar moeten zijn voor de omgeving en zijn alle klanken verworven.

AFWIJKEND  MONDGEDRAG

Er bestaat een duidelijk verband tussen mondgewoonten en articulatie. Af­wijkend mondgedrag, zoals mondademen, duimzuigen en tongpersen (foutief slikken), resul­teert vaak in een spraakstoornis. Er is ook een verband tussen gebitsafwijkin­gen en afwijkende mondgewoonten. Het komt wel vaker voor dat de lo­gopedist afwijkende mondgewoonten en articulatie samen behandelt. De or­thodontist behandelt dan de gebitsafwijking.

MOTORISCHE  SPRAAKSTOORNISSEN (DYSARTHRIE)

Bij kinderen met een aandoening van het zenuwstelsel is meestal ook de spraak gestoord. Bij kinderen gaat het om hersenverlamming of een spier­ziekte. De spraak is moeilijk verstaanbaar omwille van een stoornis in de spierspan­ning en/of de coördinatie van de spieren. De logopedist geeft oefeningen om de spraak en de andere mondfuncties te verbeteren. Daarnaast wordt er ook gezocht naar hulpmiddelen om de spraak te ondersteunen of te vervangen.

STOTTEREN

Stotteren is een stoornis in het vloeiende verloop van de spreekbeweging. Stotteren kan zich uiten in het herhalen van klanken of woorddelen, het aan­houden van klanken of het blokkeren bij het op gang komen van de stemge­ving en de articulatie. Naarmate de stoornis ernstiger wordt, treden secun­daire gedragingen op. We zien dan bijvoorbeeld negatieve emotionele en cognitieve reacties. Deze kunnen resulteren in spreekangst en vermijdingsge­drag. Stotteren begint nagenoeg steeds tussen het tweede en het zevende levens­jaar. Vroegtijdig ingrijpen is cruciaal om stotteren niet te laten evolue­ren tot een handicap.

VERBALE OF SPRAAKONTWIKKELINGSDYSPRAXIE (SOD)

Spraakontwikkelingsdyspraxie is een complexe spraakstoornis. Bij deze kinderen verloopt het plannen, afstemmen en controleren van de bewegingen die nodig zijn om te spreken niet goed. Het kind is hierdoor niet goed verstaanbaar. De onverstaanbaarheid neemt toe bij langere woorden en zinnen. Ook andere activiteiten waarbij specifieke mondbewegingen vereist zijn lukken soms niet goed, zoals eten, drinken, blazen, zuigen, …

Kenmerken:

  • er is geen vlotte overgang van de ene klank naar de andere
  • inconsistent foutenpatroon
  • overdreven of ontbrekende klemtonen leggen, staccato spreken
  • stille baby, weinig pogingen tot imitatie
  • kind gebruikt gebaren
  • klinkerspraak
  • slechte verstaanbaarheid
  • hetzelfde woord wordt op verschillende manieren uitgesproken (bv. mandarijn, handahijn, mendelijn, …)
STEMSTOORNISSEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

Heesheid of stemverlies kunnen zowel een organische als een functionele oorzaak hebben. Tot de organische oorzaken rekenen we bijvoorbeeld stembandverlamming en strottenhoofdkanker. De functionele oorzaken zijn verkeerd stemgebruik (foutieve stem­techniek) of stemmisbruik (veelvuldig roepen). Deze functionele stemstoornissen kunnen ook aanleiding geven tot een organische afwijking, zoals bijvoorbeeld stembandknobbels.

TAALONTWIKKELINGSSTOORNISSEN BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

De taalontwikkeling verloopt volgens een bepaald patroon (de verschillende stadia van de taalontwikkeling). Bij een aantal kinderen kent deze ontwikke­ling een vertraagd of afwijkend verloop. Logopedisten spreken dan over een dysfatische ontwikkeling of een primaire taalontwikkelingsstoornis. De stoornis treft zowel de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen en vervoegingen en de zinsbouw), de taalinhoud (woordenschat) als het taalge­bruik. Er kan een probleem zijn met de taalproductie, het taalbegrip of beide. Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis spreken vaak onverstaanbaar.Soms vertoont het kind ook kenmerken van hyperactief gedrag en stoor­nissen in de aandacht en de concentratie. Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge van een verstandelijke han­dicap, een gehoorstoornis of een psychische stoornis, dan spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis.

ONTWIKKELINGSDYSFASIE (OD)

Ontwikkelingsdysfasie is een subgroep binnen de taalontwikkelingsstoornissen en komt voor bij 2 à 3% van de kinderen. Bij kinderen met ontwikkelingsdysfasie zijn de taalproblemen na één jaar therapie nog steeds ernstig. Er moeten daarnaast ook specifieke kenmerken hardnekkig aanwezig zijn. De diagnose kan niet gesteld worden voor de leeftijd van 5 à 6 jaar.

Kenmerken: 

  • zwak auditief kortetermijngeheugen
  • problemen met zinsbegrip en opdrachtenbegrip
  • woordvindingsproblemen (bv meer gebruik maken van omschrijvingen)
  • beperkte productieve woordenschat
  • dysgrammatismen
  • problemen met ‘op commando’ spreken
  • problemen met verhaalopbouw (bv. onsamenhangend vertellen)
  • problemen met figuurlijke/letterlijke taal
  • weinig initiatief nemen tot spreken
TRAUMA BIJ LAGERE SCHOOLKINDEREN

ROUW

Het meemaken van een verlies kan voor een kind emotionele problemen met zich meebrengen. Rouwen is het verwerken van een groot verdriet. Intens verdrietig zijn hoort bij rouwen, net zoals bang zijn, schuldgevoelens, opluchting, … erbij horen. Rouwen is een verwerkingsproces op langere termijn en kinderen doen dit op een andere manier dan volwassenen.  Hoe kinderen rouwen is leeftijdsgebonden.

Het is belangrijk dat een kind op een goeie manier kan omgaan met zijn verdriet. 

In de Tol kunnen we uw kind begeleiden bij de diverse fasen van rouwverwerking.  We werken ook samen met de ouders om hen te inzicht te geven in het verwerkingsproces van hun kind en op welke manier ze hun kind kunnen ondersteunen

 ECHTSCHEIDING

Een scheiding roept bij kinderen en jongeren veel uiteenlopende gevoelens op. Na de scheiding laten sommigen veel verdriet zien maar ook angst voor de onbekende situatie en soms ook boosheid naar de ouders toe, voor het creëren van deze nare situatie of het in de steek laten van de andere ouder.

Maar soms zijn ze na een scheiding ook opgelucht en tevreden omdat er een eind is gekomen aan een zeer nare periode van veel ruzies in huis. Deze gevoelens zijn zowel voor het kind, de ouders en de omgeving vaak minder goed te begrijpen. Van deze gevoelens kunnen kinderen en jongeren zeer in de war raken en opnieuw erg verdrietig en boos worden. Ze willen namelijk helemaal niet blij of opgelucht zijn met het vertrek van een ouder. Kinderen en jongeren kunnen erg in de war raken van hun tegengestelde gevoelens na een scheiding.
Daarnaast zien we ook een groep die weinig emoties laten zien. De scheiding lijkt hun weinig te kunnen schelen, maar meestal is het tegendeel waar. Vaak stellen ze zich zo op om de ouders te ontzien. Ze gedragen zich dan ook vaak extra lief of trekken zich erg terug om de ouders niet tot last te zijn.  In die gevallen zien we dan vaak een uitgestelde reactie, die soms pas jaren later de kop opduikt. 
Ieder kind of jongere heeft zijn eigen manier van reageren. Dit wordt beïnvloed door een hoop factoren waaronder de leeftijd van het kind, de relatie met de ouders en de manier waarop de ouders het kind steunen tijdens de scheiding.

Binnen de TOL kunnen we uw kind emotioneel ondersteunen, maar kan u als ouders ook terecht wanneer je met vragen zit rond de aanpak van deze nieuwe opvoedingssituatie waarin je als ouder terecht komt.

MISBRUIK

Kinderen die misbruik meegemaakt hebben kunnen daar ook op volwassen leeftijd nog gevolgen van ondervinden.  Daarom is het erg belangrijk dat een kind zo snel mogelijk professionele hulp krijgt bij het verwerken en plaatsen van het misbruik.

Heb je een vraag? Een opmerking?


© TOL. Website door GESELLE.be | Uw privacy